Placeholder image

Ene wijk is de andere niet bij vwo

27 november 2018

In het rapport ’Kansengelijkheid in het onderwijs in Leiden’ staat per stadsdeel het percentage doorverwijzingen naar het vwo is (zie de gele staafjes) en hoe hoog de score er is bij de centrale eindtoets (cet). Hoe donkerder hoe beter, leert de grote staaf aan de rechterkant.

Kinderen uit het Boerhaavedistrict (Pesthuis- en Vogelwijk, Houtkwartier, Raadsherenbuurt en Leeuwenhoek) krijgen drie keer zo vaak een vwo-advies als leerlingen van groep acht die in Leiden-Noord wonen. Dat leert een studie van SEO Economisch Onderzoek.

De gemeente Leiden had om het onderzoek gevraagd na waarschuwingen van de landelijke Inspectie van het onderwijs dat de ’kansengelijkheid’ onder druk staat in het onderwijs. Zo zou het opleidingsniveau van ouders de ’onderwijskansen’ van kinderen steeds sterker bepalen. Omdat de overgang naar het voortgezet onderwijs een sleutelmoment is, kregen onderzoekers de opdracht om zich daar op te richten.

Ze constateren dat kinderen in stadsdelen met een lagere ’sociaal-economische status’ - zoals Leiden-Noord - veel vaker een lager schooladvies krijgen dan in een district met een gemiddelde of bovengemiddelde status, zoals Boerhaave. Maar, zo stellen ze na het naast elkaar leggen van de meest uiteenlopende statistische gegevens, dat komt niet zozeer door de wijk waarin zij wonen of waarin hun basisschool staat. Het komt veeleer doordat in wijken met een hoge sociaal-economische status hoogopgeleide ouders vaak bij elkaar wonen.

En kinderen van wie ouders hbo of wetenschappelijk onderwijs hebben afgerond, ’scoren’ ook in Leiden aanmerkelijk hoger dan ouders die niet verder dan mbo 3 zijn gekomen. Zo krijgen ze veel vaker een vwo-advies: 53 tegen 9 procent. De kans is ook veel groter dat hun schooladvies hoger ligt dan de centrale eindtoets (cet) rechtvaardigt: 41 tot 43 procent - bij universitair geschoolde ouders - tegen 18 tot 22 procent. Een advies onder het niveau van de eindtoets, is bij hen minder te verwachten: 11 tot 19 procent tegen 25 tot 32 procent.

Eindtoets

Tot het schooljaar 2014-2015 was het schooladvies vooral gebaseerd op de uitslag van de eindtoets. In dat jaar verschoof de eindtoets naar het eind van het schooljaar en sindsdien komt het meer aan op de inschatting van de leerkracht. Geeft de eindtoets daar aanleiding toe, dan kan het schooladvies nog wel naar boven toe worden bijgesteld. In Leiden gebeurde dat in zes procent van de gevallen.

De eindtoets - alle scholen in Leiden gebruiken die van cito - wordt dan ook bijzonder goed gemaakt in de Sleutelstad. Met een gemiddelde score van ruim 536 punten - goed voor een mavo/havo-advies - zit de stad al jaren 1,5 punt boven het landelijke gemiddelde. Ook wordt er beter gescoord dan in omliggende steden als Haarlem, Utrecht en Den Haag.

En terwijl het aantal doorverwijzingen naar het vmbo veel lager is dan in de rest van het land - 30 om 42 procent - ligt het aantal doorverwijzingen naar het vwo ruim de helft boven het landelijke gemiddelde: 31 tegen 20 procent. Volgens de onderzoekers is die verhoging er bij elk opleidingsniveau van de ouders en krijgen ook kinderen met een ’niet-westerse migratieachtergrond’ gemiddeld genomen hogere schooladviezen. Verder viel ze op dat in wijken met een gemiddelde sociaal-economische status, zoals Stevenshof, het ’adviesniveau’ de afgelopen jaren is gegroeid waar het elders in de stad min of meer gelijk bleef.

Of de ’relatief hoge schooladviezen’ kwalijke gevolgen hebben tijdens verdere schoolcarričres, durft het aan de Universiteit van Amsterdam gelieerde onderzoeksbureau niet te zeggen. Ditmaal is alleen de onderbouw bekeken. En gemiddeld genomen blijken de leerlingen daar ’goed in staat om op het niveau van het schooladvies te blijven of een half of heel niveau op te stromen’.

Nader onderzoek

Of ze dat volhouden in de zwaarder geachte bovenbouw, lijkt onderzoekers voer voor nadere studie. Ook omdat dan leerlingen gevolgd kunnen worden die volgens de nieuwe methode hun schooladvies hebben gekregen. Onderzoekers zijn vooral benieuwd welke leerlingen dat vaker lukt. Is er daarbij verschil tussen jongens en meisjes of tussen kinderen met laag- en hoogopgeleide ouders?

Verder zijn ze benieuwd waarom de opleiding van ouders zo’n invloed heeft op het schooladvies. Is het omdat hoogopgeleide ouders meer druk uitoefenen om een hoger schooladvies te krijgen? Hebben leerkrachten hogere verwachtingen bij deze kinderen, bijvoorbeeld omdat ze ervan uitgaan dat die thuis beter worden begeleid bij het schoolwerk? Is het omdat de kinderen in kwestie vaker over eigenschappen beschikken die niet gemeten worden bij de eindtoets - zoals sociale vaardigheden - maar wel belangrijk zijn voor succes op school?

Ook onderzoeken ze graag of gemengde adviezen, zoals havo/vwo, de kansen vergroten van kinderen van laag opgeleide ouders. Kunnen die zich, in een gemengde klas op de middelbare school, optrekken aan kinderen van hoogopgeleide ouders? Of dalen de meeste klasgenoten dan af naar het laagste niveau?

’Grote verschillen vooral door opleiding ouders’

Bron: Leidsch Dagblad, 27 november 2018